Antifosfolipidensyndroom

Anti-cardiolipineantistoffen | Anti-β2-glycoproteïne I-antistoffen

 

Anti-cardiolipineantistoffen

Producten

Artikelnr.

Aantal tests

EliA Cardiolipin IgG 14-5529-01 4x12
EliA Cardiolipin IgM 14-5530-01 4x12
Varelisa Cardiolipin Antibodies Screen 158 96 96 tests
Varelisa Cardiolipin IgG Antibodies 155 96 96 tests
Varelisa Cardiolipin IgM Antibodies 156 96 96 tests
Varelisa Cardiolipin IgA Antibodies 157 96 96 tests

Antigenen

Cardiolipine is in tegenstelling tot veel andere autoantigenen geen proteïne maar een fosfolipide. Fosfolipiden zijn belangrijke bestanddelen van de membranen van levende cellen en van de organellen in deze cellen. Cardiolipine is te vinden in bacteriële membranen, mitochondriën en chloroplasten.

Cardiolipine bestaat uit twee fosfatidinezuurgroepen die ieder zijn verbonden met een glyceridedeel door een fosfodiësterbinding en bij elkaar worden gehouden door een centraal glyceroldeel.

Antistoffen binden aan het complex van cardiolipine en de cofactor ß2-GPI.

De Phadia-tests zijn gecoat met gezuiverd cardiolipine.

Antistofspecificiteit en -prevalentie

  • Antifosfolipidensyndroom (APS) (één van de twee laboratoriumcriteria voor de diagnose APS)
  • Beroerte (7%), beroerte bij jonge patiënten (18%)
  • Miskraam*: 3 of meer miskramen achter elkaar (15%), in 2e of 3e trimester (30%), met intra-uteriene groeivertraging en late miskraam (40%)
  • Secundaire APS bij SLE (10-15%)
  • Bindweefselaandoeningen als SLE (44%), RA (4-49%), sclerodermie (25%), juveniele chronische artritis (42%) (incl. aantal secundair APS)
  • Infectieziekten als Ziekte van Lyme (32%), syfilis (75%), lepra (67%), tuberculose (53%) enz. (Q-koorts, AIDS)
  • Epilepsie (11%)
  • Gezonde individuen (0-7,5%)

* cijfers verwijzen naar antifosfolipidenantistoffen in het algemeen

Informatie over antifosfolipidensyndroom

Ziekteactiviteit

Hoge aCL-waarden zijn geassocieerd met een vergrote kans op trombose of miskraam. Verhoogde niveaus voor anti-cardiolipineantistoffen kunnen jaren voordat trombose of een miskraam optreedt, worden gevonden. De kans op een miskraam neemt bij aCL-positiviteit toe van 6,5% (aCL-negatief) tot 15,8%.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

  • Vermoeden van antifosfolipidensyndroom
  • Miskraam
  • Beroerte bij jonge patiënten
  • Onverklaarbare trombose
  • Mogelijk: migraine, epilepsie, chorea, hartklepaandoeningen, huidzweren enz.
  • Antistofisotypen
  • IgG is geaccepteerd als het meest voorkomende en belangrijkste isotype bij de opsporing van aCL, maar ook het meten van IgM en IgA wordt aangeraden, omdat anders risicopatiënten buiten de boot vallen. De klinische beoordeling van verschillende aCL-isotypen kent in de literatuur voor- en tegenstanders.

Referenties

  • Moris V, Mackworth-Young C (1996) Autoantibodies to phospholipids. In: Van Venrooij WJ, Maine RN (eds.) Manual of biological markers of disease, Kluwer Academic Publishers, Dordrecht
  • Khamashta MA, Hughes GRV (1996) Phospholipid Autoantibodies - Cardiolipin. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.) Autoantibodies, pp 624-629, Elsevier, Amsterdam
  • Roubey RA (1999) Immunology of the antiphospholipid syndrome: antibodies, antigens, and autoimmune response. Thromb Haemost 82: 656-661

Terug naar boven

 

Anti-β2-glycoproteïne I-antistoffen

Producten Artikelnr. Aantal tests
EliA β2-Glycoprotein I IgG 14-5532-01 4x12
EliA β2-Glycoprotein I IgM 14-5533-01 4x12
Varelisa ß2-Glycoprotein I Antibodies Screen 190 96 96 tests
Varelisa ß2-Glycoprotein I (IgG) Antibodies 187 96 96 tests
Varelisa ß2-Glycoprotein I (IgM) Antibodies 188 96 96 tests
Varelisa ß2-Glycoprotein I (IgA) Antibodies 189 96 96 tests

Antigenen

ß2-glycoproteïne I (ß2GPI) bindt aan negatief geladen stoffen, zoals fosfolipiden en lipoproteïnes. Steeds meer studies duiden erop dat ß2GPI vereist is als cofactor of zelfs als hét antigeen voor het binden van antifosfolipidenantistoffen. De conformationele epitopen voor anti-ß2GPI ontwikkelen bij interactie met een lipidemembraan dat bestaat uit negatief geladen fosfolipiden of als ß2GPI wordt geabsorbeerd op een poly-geoxygeneerd polystyreen plaatje.

ß2GP1 is een plasmaproteïne van 50 kDa, dat uit vijf homologe structuren van ca. 60 aminozuren bestaat.

ß2GP1 in de Phadia-tests is gezuiverd uit menselijk plasma.

Antistofspecificiteit en -prevalentie

  • Antifosfolipidensyndroom (APS)
  • Ischemische beroerte (24%) 
  • Miskraam (7-14%) 
  • Bindweefselaandoeningen als SLE (36%), reumatoïde artritis (RA), sclerodermie, juveniele chronische artritis 
  • Epilepsie (18%)
  • Gezonde individuen (zeer zeldzaam)

(beschikbare cijfers variëren nogal vanwege verschil in methoden en isotypen)

Informatie over antifosfolipidensyndroom

Ziekteactiviteit

Hoge waarden zijn geassocieerd met een vergrote kans op trombose of miskraam.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

  • Miskraam
  • Beroerte bij jonge patiënten
  • Onverklaarbare trombose
  • bij aCL-negatieve patiënten met vermoeden van APS 
  • bij aCL-positieve patiënten met mogelijk APS ter bevestiging van de diagnose

Antistofisotypen

De isotypen IgG en IgM zijn volgens de classificatiecriteria voor antifosfolipidensyndroom (2006) relevant voor de opsporing van antistoffen tegen beta-2-glycoproteïne-1. Desalniettemin duidt een toenemend aantal studies ook op een klinisch belang van het isotype IgA.

Opsporingsmethoden

Voor de opsporing van antistoffen moet ß2GP1 worden gebonden aan een lipidemembraan van negatief geladen fosfolipiden of als ß2GP1 wordt geabsorbeerd op een poly-geoxygeneerd (bestraald) polystyreen plaatje.

Referenties

  • Matsuura E, Koike T (1996) ß2-Glycoprotein 1 Autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 109-114, Elsevier, Amsterdam
  •  Reddel SW, Krilis SA (1999) Testing for and Clinical Significance of Anticardiolipin Antibodies. Clin Diagn Lab Immunol, Nov 99, 775-782 
  • Tincani A, Balestieri G, Spatola L et al. (1998) Anticardiolipin and anti-ß2glycoprotein 1 immunoassays in the diagnosis of antiphospholipid syndrome. Clin Exp Rheumatol 16, 396-402

Terug naar boven