Single analytes

 Analytes

Auto-antistoffen tegen

dsDNA | ssDNA | Histonen (IgG/IgM) | U1RNP | Sm | SS-A/Ro | SS-B/La | Scl-70 | CENP | Jo-1 | Rib-P

 

 

dsDNA

Product

Artikelnr.

Aantal tests
Varelisa dsDNA Antibodies 141 96 96 tests
EliA dsDNA 14-5500-01 4x12 tests

Promotiemateriaal

EliA dsDNA
Productfolder (pdf)

Antigenen

Desoxyribonucleïnezuur of DNA als antigeen kan dubbelstrengs (dsDNA) of enkelstrengs (ssDNA) zijn, maar alleen anti-dsDNA-antistoffen zijn specifieke markers. Voor anti-DNA-tests wordt DNA uit weefsel, uit eukaryotische cellen, uit bacteriën of uit bacteriofagen gebruikt. Circulair DNA (plasmide) is een zeer geschikte keuze, omdat de kans op samenvoeging van enkele strengen zeer klein is.

In de Varelisa- en EliA-tests wordt het DNA gecoat als recombinant dubbelstrengs plasmide DNA.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

Bij systemische lupus erythematosus (SLE) varieert de antistofprevalentie, afhankelijk van gebruikte methode en activiteit van de patiënt, van <30 tot >90%.  Anti-dsDNA-antistoffen behoren tot de ARA-diagnosecriteria voor SLE.

Afhankelijk van de gebruikte methode varieert de ziektespecificiteit erg. Met behulp van zeer gevoelige methoden kan bij een groot aantal patiënten anti-dsDNA worden gevonden bij uveïtis, discoïde lupus erythematosus, reumatoïde artritis, juveniele reumatoïde artritis e.d. In dit soort gevallen gaat het vooral om antistoffen van het isotype IgM van IgG met lage aviditeit.

Ziekteactiviteit

Goede correlatie tussen anti-dsDNA-titer en ziekteactiviteit en dus belangrijk voor controle, met name anti-IgG-antistoffen met hoge aviditeit. Een toename van de antistoftiter kan op exacerbatie van de ziekte duiden. Bij SLE-patiënten moet het kwantitatief anti-dsDNA IgG regelmatig worden gemeten.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van SLE, controle van SLE

Antistofisotypen

IgG. IgM wordt vaak bepaald, maar het klinische belang voor diagnose en controle is beperkt.

Opsporingsmethoden

Immunofluorescentietest op Crithidia luciliae (CLIFT), audio-immunoassays (vooral Farr-assay) en enzyme-linked immunosorbent assays (ELISA's).

Referenties

  • Hochberg MC (1997) Updating the American College of Rheumatology Revised Criteria for the Classification of Systemic Lupus Erythematosus. Arthr Rheum 40, 1725-1734 
  • Bootsma H, Spronk PE, Ter Borg EJ et al. (1997) The predictive value of fluctuations in IgM and IgG class anti-dsDNA antibodies for relapses in systemic lupus erythematosus. A prospective long term observation. Ann Rheum Dis 56, 661-666 
  • Tzioufas AG, Tergoglou C, Stavropoulos ED et al. (1990) Determination of anti-dsDNA antibodies by three different methods: Comparison of sensitivity, specificity and correlation with lupus acticity index (LAI). Clin Rheumatol 9, 186-192

Terug naar boven  

 

ssDNA

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa ssDNA Antibodies 148 96 96 tests

Antigeen

In 1971 stelde Cohen et al. drie categorieën antistoffen voor die direct tegen het DNA-molecuul zijn gericht:

  • De eerste categorie richt zich direct tegen conformationele epitopen die geassocieerd zijn met de oorspronkelijke dubbele helix. Deze anti-DNA-antistoffen zijn per definitie de enige anti-dsDNA-antistoffen in de ware zin van het woord. Ze lijken echter zeldzaam.
     
  • De tweede groep richt zich op de polymeren van purine- en pyrimidinebasen, die als antigenen alleen toegankelijk zijn voor de immunocompetente cellen in enkelstrengs DNA, d.w.z. gedenatureerd. Deze antistoffen worden beschouwd als de enige anti-ssDNA-antistoffen in de ware zin van het woord.
     
  • De derde groep richt zich op de desoxyribose-fosfaatruggengraat, die in dezelfde mate aanwezig is in ssDNA- als in dsDNA-moleculen. Bijgevolg zijn het noch echte anti-dsDNA- noch anti-ssDNA-antistoffen. Het overgrote deel (85 tot 95%) van in patiëntsamples gevonden anti-DNA-antistoffen behoren tot deze categorie.

Technisch bezien is het niet mogelijk om in één test echte anti-ssDNA-antistoffen (met purine- en pyrimidinebasen als enige antigeen) te meten. Alle anti-ssDNA-antistoftests meten anti-DNA-antistoffen die tot categorie 2 en 3 behoren. Anti-ssDNA-antistoffen worden vaak gevonden bij SLE en geneesmiddelgeïnduceerde lupus (drug-induced lupus of DIL). Samen met de anti-histonantistoffen en in afwezigheid van anti-dsDNA-antistoffen kunnen ze helpen bij de diagnose van DIL. Ze zijn echter niet specifiek, maar komen ook voor bij systemische en lokale sclerodermie, leveraandoeningen, een aantal bindweefselaandoeningen en bij sommige normale gezonde individuen.

Bij de Varelisa-test is het plaatje gecoat met synthetisch, enkelstrengs DNA.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van SLE of geneesmiddelgeïnduceerde lupus

Antistofisotypen

IgG.

Opsporingsmethoden

Enzyme-linked immunosorbent assays (ELISA).

Referenties

  • Takehara K et al. Anti-Single-Stranded DNA Antibody and Muscle Involvement in Localized Scleroderma. Arch Dermatol 1990; 126:1368-1369
  • Ruffati A et al. Prevalence and Characteristics of Anti-Single-Stranded DNA Antibodies in Locolized Scleroderma.
  • Lange A. Evaluation of the simultaneous estimation of anti-dsDNA and anti-ssDNA antibodies for clinical purposes. Clin Exp Immunol 1978; 31:472-481

Terug naar boven  

 

Histonen

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa Histone (IgG/IgM) Antibodies 164 96 96 tests

Antigeen

Als auto-immuunziekte wordt SLE gekenmerkt door een complex klinisch beeld en een grote diversiteit in auto-antistoffen. Antistoffen tegen dsDNA en RNP-Sm zijn de meest prominente bij de diagnose van SLE, omdat deze een hoge specificiteit voor de ziekte hebben. Een vergelijkbare prevalentie hebben antistoffen tegen aan DNA bindende histon-proteïnen (H1, H2A/H2B, H3 en H4). Deze kunnen worden gevonden in tot 50% van alle SLE-patiëntsera. De frequentie ervan neemt toe tot 80% bij patiënten met de acute vorm van de ziekte. Anti-histonantistoffen (AHA) zijn van klinisch belang voor de diagnose van geneesmiddelgeïnduceerde lupus erythematosus. Geneesmiddelen als hydralazine, procaïnamide en isoniazide staan bekend om hun SLE-inducerende effect. Naast antistoffen tegen afzonderlijke histonen, worden bij DIL ook regelmatig antistoffen tegen histoncomplexen als H2A-H2B en H3-H4 gevonden. Afhankelijk van het inducerende geneesmiddel wordt 90-95% van de DIL-patiënten positief getest voor anti-histon-auto-antistoffen. De waarde van de test is echter beperkt, omdat deze antistoffen ook bij andere aandoeningen worden gevonden, zoals infecties. AHA worden ook gevonden bij patiënten met reumatoïde artritis, Mixed Connective Tissue Disease en progressieve sclerodermie. De AHA-incidentie is bij deze patiënten echter laag en loopt van 10 tot 15%.

In de Varelisa-test is het plaatje gecoat met gezuiverde, humane histon-proteïnen H1, H2A, H2B, H3 en H4.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van geneesmiddelgeïnduceerde lupus 

Antistofisotypen

IgG en IgM (gemeten met gemengd conjugaat)

Opsporingsmethoden

Enzyme-linked immunosorbent assays (ELISA).

Referenties

  • Rubin R. Histone (H2A-H2B)-DNA Autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds) Autoantibodies. 1996; pp 364-372. Elsevier, Amsterdam
  • Harmon CE, Portanova JP. Drug-induced lupus erythematosus. Clin Rheum Dis 1982; 8:121-135
  • Shoenfeld Y, Segol O. Anti-histone antibodies in SLE and other autoimmune diseases. Clin Exp Rheumatol 1989; 7:265-271

Terug naar boven  

 

U1RNP

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa RNP Antibodies 170 96
96 tests
Varelisa RNP-Sm Antibodies
165 96
96 tests
EliA U1RNP 14-5501-01
4x12 tests
EliA RNP70 14-5511-01 4x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation
(Sm, U1RNP, RNP70, Ro, La, Scl-70, CENP, Jo-1)

Antigenen

In natuurlijke staat hebben kleine, nucleaire RNA's, die ook wel U-RNA's worden genoemd (naar "uracil rich RNA") de vorm van ribonucleoproteïnepartikels (snRNP). Het U1 snRNA is aanwezig als complex met de Sm-proteïnen, die ook worden gevonden in de U2-, U4- en U5-snRNP's en de U1-specifieke proteïnen 70 kDa, A (34 kDa) en C (22 kDa).

U1-snRNP-complexen zijn primair in het nucleoplasma te vinden en zijn betrokken bij de splitsing.

De Varelisa RNP Antibodies-test en de EliA U1RNP en RNP Wells gebruiken recombinant-humane U1 snRNP-proteïnen. De Varelisa RNP-Sm Antibodies-test bevat het gezuiverde complex.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • Systemische lupus erythematosus (SLE) (30-40%) anti-RNP kan alleen voorkomen, maar is vaak in combinatie met andere specificiteiten aanwezig. Anti-Sm-positieve sera zijn vrijwel altijd ook positief voor anti-RNP.
     
  • Mixed Connective Tissue Disease (MCTD) wordt vastgesteld aan de hand van de aanwezigheid van een hoge titer van anti-RNP (met name anti-70 kDa-antistoffen, maar ook anti-A en -C).
     
  • Daarnaast kunnen anti-U1 RNP-antistoffen bij een klein percentage patiënten voorkomen met het Syndroom van Sjögren, reumatoïde artritis, sclerodermie en polymyositis.

Ziekteactiviteit

Langlopende studies laten zien dat anti-U1 RNP-antistoftiters in de loop van de tijd kunnen variëren, maar het is niet zeker wanneer de waarden op onderliggende ziekteactiviteit duiden.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van SLE of MCTD.

Antistofisotype

IgG

Andere opsporingsmethoden

Immunofluorescentie op HEp-2 (grofgespikkeld patroon). De immunofluorescentietechniek maakt geen onderscheid tussen anti-U1 snRNP en anti-Sm-antistoffen. Andere technieken (immunodiffusie, immunoblotting, RNA-immunoprecipitatie enz.) zijn mogelijk, maar niet noodzakelijkerwijs routinematig bruikbaar.

Referenties

  • Van den Hoogen FHJ, Van de Putte LBA (1996) ANti-U1snRNP antibodies and clinical associations. In: Van Venrooij WJ, Maini RN (eds.) Manual of Biological Markers of Disease, Kluwer Academic Publishers, Amsterdam 
  • Craft J, Hardin J (1992) Anti-snRNP antibodies. In: Wallace DJ, Hahn BH (eds.), Dubois' Lupus Erythematosus, pp 216-219, Williams and Wilkens 
  • Peng SL, Craft JE (1996) Spliceosomal snRNPs autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 774-782, Elsevier Science B.V., Amsterdam

Terug naar boven  

 

Sm

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa Sm Antibodies 182 96 96 tests
EliA Sm 14-5502-01 4x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation

Sm, U1RNP, RNP70, Ro, La, Scl-70, CENP, Jo-1 

Antigenen

In natuurlijke staat hebben kleine, nucleaire RNA's, die ook wel U-RNA's worden genoemd (naar "uracil rich RNA") de vorm van ribonucleoproteïnepartikels (snRNP). De U snRNP U1, U2, U4, U5 en U6 bevatten allemaal een proteïnegroep, de zgn. Sm-peptiden, die als hoofddoel de B- en D-polypeptiden hebben. Vanwege de kruisreactiviteit tussen de A-, de C- en de B/B'-proteïnen, kan tot 60% van de anti-U1 RNP-sera reageren met B/B'. Dat betekent dus dat alleen de aanwezigheid van anti-D en/of de afwezigheid van anti-A en anti-C kan worden gezien als kenmerkend voor anti-Sm-sera. Tot nu toe zijn alle tests voor het produceren van een antigeen recombinant SmD-proteïne met goede reactiviteit mislukt, vanwege de speciale structuur ervan. In 2004 werd een ELISA ontwikkeld met een dimethyl-SmD-peptide die een significant grotere specificiteit had dan traditionele tests met gezuiverd SmD.

EliA Sm Well is gecoat met een gezuiverd Sm-antigeen. De Varelisa Sm Antibodies-test is gecoat met SmD-peptide.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

Systemische lupus erythematosus (SLE) (10-20% bij blanke SLE-patiënten), anti-Sm-antistoffen zijn zeer specifiek, maar relatief insensitief als marker voor SLE. Hun aanwezigheid vormt één van de herziene ARA-criteria voor de diagnose.

Anti-Sm-positieve sera zijn vrijwel altijd ook positief voor anti-RNP.

Anti-Sm-reactiviteit is niet uitgebreid bij andere ziekten beschreven, maar er zijn enkele studie waarin anti-Sm-antistoffen worden genoemd bij monoklonale gammopathie, schizofrenie en uveïtis.

Ziekteactiviteit

Talrijke studies suggereren dat er een verband is tussen anti-Sm-antistoffen en de ziekteactiviteit en dan met name uitingsvormen van de ziekte.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van SLE.

Antistofisotype

IgG

Andere opsporingsmethoden

Immunofluorescentie op HEp-2 (gespikkelde aankleuring in de hele celkern; alleen de nucleolaire regio's zijn algemeen niet gekleurd). De immunofluorescentietechniek maakt geen onderscheid tussen anti-U1 snRNP en anti-Sm-antistoffen. Andere methoden (zoals counterimmunoelectrophoresis, immunoprecipitatie; immunoblotting) kunnen worden gebruikt, maar zijn niet noodzakelijkerwijs routinematig bruikbaar.

Referenties

  • Mahler M, Fritzler MJ, Blüthner M (2004) Identification of a SmD3 epitope with a single symmetrical dimethylation of an arginine residue as a specific target of a subpopulation of anti-Sm antibodies. Online beschikbaar ophttp://arthritis-research.com/content/7/1/R19
  • Peng SL, Craft JE (1996) Spliceosomal snRNPs autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 774-782, Elsevier Science B.V., Amsterdam 
  • Hoch SO (1994) Autoantigens in SLE - Sm. In: Van Venrooij WJ, Maini RN (eds.) Manual of Biological Markers of Disease, Kluwer Academic Publishers, Amsterdam 
  • Craft J, Hardin J (1992) Anti-snRNP Antibodies. In: Wallace DJ, Hahn BH (eds.) Dubois' Lupus erythematosus. Lippincott Williams & Wilkins

Terug naar boven  

 

SS-A/Ro

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa SS-A/Ro Antibodies 166 96 96 tests
EliA Ro 14-5503-01 4x12 tests

Promotiemateriaal 

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation

Sm, U1RNP, RNP70, RO, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

Het SS-A/Ro-partikel bevat een hY RNA (humaan cytoplasmisch RNA) en bijbehorende proteïnen: een proteïne van 60 kDa en van 52 kDa. Het proteïne van 52 kDa is niet direct gebonden aan het hY RNA, maar aan het proteïne van 60 kDa. Het lijkt soms een verbinding te zijn aangegaan en soms niet. Het Ro-antigeen wordt gevonden in het cytoplasma, alsook in de celkern. De rol van het SS-A/Ro-partikel in de cel is nog niet bekend.

De Phadia-tests maken gebruik van recombinant-humaan Ro 60 en Ro 52.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • Primair Sjögren-syndroom (60-75%), onderdeel van diagnostische criteria 
  • Secundair Sjögren-syndroom (ca. 80%) 
  • Systemische lupus erythematosus, SLE (40-50%) 
  • Moeders van kinderen met neonatale lupus (100%), maar slechts 1 op de 50 kinderen waarvan de moeder anti-Ro heeft, ontwikkelt hartblok. 
  • Reumatoïde artritis (2-10%) 
  • Andere auto-immuunziekten (zeldzaam, met sensitieve methoden) 
  • Normale controles (0,5%)
Anti-Ro 52 kDa wordt regelmatig gevonden bij het Syndroom van Sjögren, terwijl anti-Ro 60 kDa vaker wordt gezien bij SLE.

Ziekteactiviteit

Anti-Ro geeft een beeld van de ziekteverspreiding bij het Syndroom van Sjögren en is met name geassocieerd met de extraglandulaire uitingsvorm en serologische bevindingen van het syndroom. Omgekeerd hoeven de anti-Ro-waarden niet merkbaar te fluctueren bij ziekteactiviteit of bij steroïdebehandeling en/of immunotherapie.
 
Bij SLE-patiënten staat het anti-Ro60-, anti-Ro52- en anti-La-antistofprofiel al in een vroeg stadium van de ziekte vast en bij de meeste patiënten verandert dit profiel vervolgens nauwelijks.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

  • Vermoeden van primair Sjögren-syndroom
  • Huidaandoeningen die compatibel zijn met subacute cutane lupus erythematosus
  • Reumatoïde artritis, voorafgaand aan toediening van D-penicillamine
  • Vrouwen met Syndroom van Sjögren, SLE of reumatoïde artritis voor en tijdens de zwangerschap

Antistofisotype

IgG

Referenties

  • Reichlin M, Scofield RH (1996) SS-A (Ro) Autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 783-788, Elsevier Science B.V., Amsterdam 
  • Mavragani CP, Tzioufas AG, Moutsopoulos HM (2000) Sjögren's syndrome: Autoantibodies to cellular antigens - Clinical and molecular aspects. Int Arch Allergy Immunol 123, 46-57 
  • Scofield RH, Farris AD, Horsfall AC, Harley JB (1999) Fine specificity of the autoimmune response to the Ro/SSA and La/SSB ribonucleoproteins. Arthritis Rheum 42, 199-209

Terug naar boven  

 

SS-B/La

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa SS-B/La Antibodies 166 96 96 tests
EliA La 14-5504-01 4x12 tests

Promotiemateriaal 

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation

Sm, U1RNP, RNP70, RO, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

La/SS-B is een fosfoproteïne met universele expressie van 47 kDa dat een verbinding aangaat met allerlei kleine RNA's, waaronder het hY RNA van het SS-A/Ro-partikel. La is mogelijk een terminatiefactor voor de transcriptie voor RNA-polymerase III en wordt zowel in het cytoplasma als in de celkern gevonden.

De Phadia-tests maken gebruik van recombinant-humaan La.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • Primair Sjögren-syndroom (tot 90%), diagnosecriterium
  • Secundair Sjögren-syndroom (ca. 50%) 
  • Systemische lupus erythematosus, SLE (6-15%) 
  • Subacute cutane lupus erythematosus (25-35%)
  • Moeders van kinderen met neonatale lupus (90%)
Anti-La zijn vrijwel altijd geassocieerd met anti-Ro en met name het bestanddeel van 52 kDa.

Ziekteactiviteit

Of de titer voor anti-La correleert met ziekteactiviteit bij het Syndroom van Sjögren of SLE is niet bekend. Op zich is het vinden van anti-La-precipitinen een stabiele serologische bevinding, die niet fluctueert gedurende het ziekteverloop.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

  • Vermoeden van primair Sjögren-syndroom
  • Huidaandoeningen die compatibel zijn met subacute cutane lupus erythematosus
  • Reumatoïde artritis, voorafgaand aan toediening van D-penicillamine
  • Vrouwen met Syndroom van Sjögren, SLE of reumatoïde artritis voor en tijdens de zwangerschap

Antistofisotypen

IgG

Referenties

  • Keech CL, McCluskey J, Gordon TP (1996) SS-B (La) Autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 789-797, Elsevier Science B.V., Amsterdam 
  • Mavragani CP, Tzioufas AG, Moutsopoulos HM (2000) Sjögren's syndrome: Autoantibodies to cellular antigens - Clinical and molecular aspects. Int Arch Allergy Immunol 123: 46-57 
  • Scofield RH, Farris AD, Horsfall AC, Harley JB (1999) Fine specificity of the autoimmune response to the Ro/SSA and La/SSB ribonucleoproteins. Arthritis Rheum 42: 199-209

Terug naar boven  

 

Scl-70/DNA topoïsomerase I 

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa Scl-70 Antibodies 169 96 96 tests
EliA Scl-70 14-5506-01 2x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation:

Sm, U1RNP, RNP70, Ro, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

In 1979 werden bij patiënten met sclerodermie antistoffen beschreven die reageerden met een proteïne van 70 kDa. Om die reden werd het antigeen Scl-70 gedoopt. In 1986 werd Scl-70 geïdentificeerd als topoïsomerase I (topo-I). Topoïsomerase I dient als katalysator bij het afbreken/samenvoegen van enkelstrengs DNA en relaxeert supercoiled DNA in vitro. Het oorspronkelijke enzym is groter dan 70 kDa (100 kDa), maar vaak wordt alleen het kleinere proteolytische fragment ervan gevonden.

De Varelisa Scl-70 Antibodies-test en de EliA Scl-70 Wells zijn gecoat met een recombinant-humaan topoïsomerase I-antigeen.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • Sclerodermie (30-60%), zeer specifiek
  • Anti-Scl-70 sluit geen aanvullende AI-aandoeningen als SLE, Syndroom van Sjögren enz. uit. 
  • Niet aanwezig in familieleden van sclerodermie-patiënten of andere gezonde individuen
  • Enkele keer gevonden bij het Fenomeen van Raynaud, en dan vaak als predictor van sclerodermie
Anti-Scl-70 wordt een enkele keer gevonden in dezelfde patiënten als anti-centromeerantistoffen.

Ziekteactiviteit

Uit de meeste studies komt naar voren dat de titer niet correleert met ziekteactiviteit of -duur. Er is echter bewijs dat de anti-Scl-70-waarden correleren met de ernst van de ziekte en de activiteit bij systemische sclerose (zie referenties Hu et al., 2003).

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van sclerodermie

Antistofisotypen

IgG

Referenties

  • Vazquez-Abad D, Rothfield NF (1996) Topoisomerase-I (Scl-70) autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 830-835, Elsevier Science B.V., Amsterdam 
  • Verheijen R (1996) DNA topoisomerase I. In: Van Venrooij WJ, Maini RN (eds.) Manual of Biological Markers of Disease, Kluwer Academic Publishers, Amsterdam 
  • Spencer-Green G, Alter D, Welch HG (1997) Test performance in systemic sclerosis: Anti-centromere and anti-Scl-70 antibodies. Am J Med 103, 242-248 
  • Hu PQ, Fertig N, Medsger TA, Wright TM (2003) Correlation of Serum Anti-DNA Topoisomerase I Antibody Levels With  Disease Severity and Activity in Systemic Sclerosis. Arthritis Rheum 48, 1363-1373

Terug naar boven  

 

Centromeerproteïne (CENP)

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa CENP Antibodies 168 96 96 tests
EliA CENP 14-5505-01 2x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation »

Sm, U1RNP, RNP70, Ro, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

Een centromeer is de versmalling van de eukaryotische chromosomen waar de zusterchromatiden het sterkst met elkaar lijken verbonden. De drie belangrijkste centromeerantigenen zijn CENP-A (19 kDa), CENP-B (80 kDa) en CENP-C (140 kDa), maar de belangrijkste is CENP-B. antistoffen tegen CENP-A en -C zijn normaal gesproken kruisreactief en worden vrijwel altijd in combinatie met anti-CENP-B-antistoffen gevonden. CENP-B wordt door vrijwel alle sera met anti-centromeerantistoffen (ACA) herkend.

CENP-B bevindt zich in het heterochromatine onder de kinetochore en vormt mogelijk een dimeer voor de binding van DNA. Het speelt verder een belangrijke rol in het regelen van de hogere-orde chromatinestructuur binnen de centromeer.

De Varelisa CENP Antibodies-test en de EliA CENP Well zijn gecoat met recombinant-humaan CENP-B.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • CREST (ca. 55%)  
  • Ziekte van Raynaud (10-15%)  
  • Diffuse systemische sclerodermie (zeer zeldzaam - ACA in SSc duidt op significant betere prognose)  
  • Andere reumatische aandoeningen van het type Fenomeen van Raynaud, zoals reumatoïde artritis, Syndroom van Sjögren enz. (33%)  
  • Primaire biliaire cirrose (PBC) (10-20%) 
  • Niet gevonden bij gezonde individuen, zelfs niet in lage titers (of extreem zeldzaam)
ACA wordt zelden gevonden bij dezelfde patiënten als anti-Scl-70

Ziekteactiviteit

De titer correleert niet met ziekteactiviteit of -duur.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Fenomeen van Raynaud, vermoeden of diagnose van sclerodermie, primaire biliaire cirrose

Antistofisotype

IgG

Referenties

  • McHugh NJ (1996) Centromere autoantibodies. In: JB Peter, Y Shoenfeld (eds.), Autoantibodies, pp. 161-167, Elsevier Science B.V. 
  • Rothfield NF (1996) Autoantibodies to scleroderma-associated antigens. In: Van Venrooij WJ, Maini RN (eds.), Manual of Biological Markers of Disease, Kluwer Academic Publishers, Amsterdam 
  • Spencer-Green G, Alter D, Welch HG (1997) Test performance in systemic sclerosis: Anti-centromere and anti-Scl-70 antibodies. Am J Med 103, 242-248 

Terug naar boven  

 

Jo-1/Histidyl-tRNA-synthese

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa Jo-1 Antibodies 167 96 96 tests
EliA Jo-1 14-5507-01 2x12 tests

 

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation »

Sm, U1RNP, RNP70, RO, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

Jo-1 is een synoniem voor de histidyl-tRNA-synthese. Dit cytoplasmische enzym dient als katalysator bij de etherificatie van histidine in het verwante tRNA. Binding van anti-Jo-1-antistoffen vindt plaats in het cytoplasma van de verschillende onderzochte celtypen. De histidyl-tRNA-synthese is als homodimeer in de cel aanwezig; identieke subunits van elk ca. 50 kDa worden gebonden aan tRNA. Anti-Jo-1-sera herkent geen andere aminoacyl-tRNA-synthesen dan histidyl-tRNA-synthesen van hogere eukaryoten en reageert het best met humaan enzym.

De Varelisa Jo-1 Antibodies-test en de EliA Jo-1 Well zijn gecoat met recombinant-humaan Jo-1. 

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • Myositis bij volwassenen (ca. 30%) - vrijwel exclusief bij patiënten met myositis: 54% primair myositis, 40% dermatomyositis, 6% myositis in verband met een andere bindweefselaandoening. Patiënten met anti-Jo-1 hebben vaak een ernstige ziekte met de neiging tot terugval en een slechtere prognose. Het anti-synthetase syndroom wordt bepaald door antistoffen tegen anti-tRNA-synthetase.
  • Anti-Jo-1 niet in myositis: interstitiële longaandoening (zeer zeldzaam)

Ziekteactiviteit

De antistof blijft normaal gesproken gedurende het ziekteverloop en voor onbepaalde tijd erna vindbaar, ondanks controle van de ziekteactiviteit. Een enkele keer is de antistof niet meer vindbaar en in deze gevallen is er een verband met ziekteremissie. De klinische bruikbaarheid van anti-Jo-1-antistoffluctuatie vraagt om verder onderzoek.

Hoewel het maar zeer zelden voorkomt dat een patiënt toch anti-Jo-1-antistoffen ontwikkelt terwijl hij eerder negatief is getest voor de antistof, dienen bij een verdachte klinische situatie, zoals myositis met interstitiële longaandoeningen, herhaaldelijke patiënttests te worden overwogen om de nauwkeurigheid van de eerdere resultaten te bevestigen. Als een patiënt positief wordt getest dienen naast een bevestigende test (indien nodig) hernieuwde tests te worden overwogen bij het afbreken van de behandeling, omdat de kans op nieuwe exacerbaties bij de aanhoudende aanwezigheid van antistoffen hoog is.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van willekeurige vorm van myositis

Antistofisotype

IgG

Referenties

  • Maddison PJ (1996) Aminoacyl-tRNA histidyl (Jo-1) synthetases autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp. 31-35, Elsevier Science B.V, Amsterdam
  • Targoff IN, Plotz PH (1996) The autoantibody system: Anti-aminoacyl-tRNA synthetase antibodies. In: Van Venrooij WJ, Maini RN (eds.), Manual of Biological Markers of Disease, Kluwer Academic Publishers, Amsterdam 
  • Delarue M (1995) Aminoacyl-tRNA synthetases. Curr Opini Struct Biol 5, 48-55
  • Targoff IN (1992) Autoantibodies in polymyositis. Rheum Dis Clin North Am 18, 455-482

Terug naar boven  

 

Ribosomaal P

Product

Artikelnr.

Aantal tests

EliA Rib-P
14-5521-01 2x12 tests

Antigeen

Systemische lupus erythematosus (SLE) is een auto-immuunziekte waarbij meerdere organen zijn betrokken, wat leidt tot handicaps en verhoogde mortaliteit. Antistoffen tegen ribsosomaal-P (anti-Rib-P) reageren op de zuurvormende gefosforyleerde ribosomale proteïnen P0, P1, en P2 (met een molecuulmassa van 38, 19 en 17 kDa) en zijn te vinden op de S60 subunit van ribosomen. Anti-Rib-P kan worden gevonden bij ca. 15 tot 20% van de patiënten met SLE. Ze lijken zeer specifiek voor SLE te zijn, wat betekent dat ze kunnen worden gebruikt als diagnostische marker voor de ziekte. Verder is een relatie beschreven met bepaalde uitingsvormen van lupus, met name met neuropsychiatrische en hepatische betrokkenheid alsook nierbetrokkenheid. De resultaten ten aanzien van het bestaan van dergelijke relaties zijn echter met elkaar in tegenspraak en hangen af van verschillen in de studieset-up en de studiepopulatie of de sensitiviteit van de gebruikte tests voor de opsporing van anti-Rib-P.

De EliA Rib-P Wells zijn gecoat met recombinant-humane ribosomale P-proteïnen (P0, P1, P2).

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van SLE.

Antistofisotypen

IgG.

Opsporingsmethoden

EliA op Phadia-instrumenten

Referenties

  • Kiss E, Shoenfeld Y. Are Anti-Ribosomal P protein Antibodies Relevant in Systemic Lupus Erythematosus? Clin Rev Allergy Immunol 2007; 32:37-46
  • Gerli L, Caponi L. Anti-ribosomal P protein antibodies. Autoimmunity 2005; 38:85-92
  • Mahler M et al. International Multicenter Evaluation of Autoantibodies to Ribosomal P Proteins. Clin Vaccine Immunol 2006; 13:77-83

Terug naar boven