Bindweefselaandoeningen

Single Analytes 1

Meest voorkomende markers voor systemische lupus erythematosus (SLE), Mixed Connective Tissue Diseases (MCTD), Syndroom van Sjögren (SS)

dsDNA | U1RNPSm  | SS-A/Ro | SS-B/La | Rib-P

 

 

dsDNA

Producten

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa dsDNA Antibodies 141 96 96 tests
EliA dsDNA 14-5500-01 4x12 tests

Promotiemateriaal

Productfolder 
EliA dsDNA (pdf)

Antigenen

Desoxyribonucleïnezuur of DNA als antigeen kan dubbelstrengs (dsDNA) of enkelstrengs (ssDNA) zijn, maar alleen anti-dsDNA-antistoffen zijn specifieke markers. Voor anti-DNA-tests wordt DNA uit weefsel, uit eukaryotische cellen, uit bacteriën of uit bacteriofagen gebruikt. Circulair DNA (plasmide) is een zeer geschikte keuze, omdat de kans op samenvoeging van enkele strengen zeer klein is.

In de Varelisa- en EliA-tests wordt het DNA gecoat als recombinant dubbelstrengs plasmide DNA.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

Bij systemische lupus erythematosus (SLE) varieert de antistofprevalentie, afhankelijk van gebruikte methode en activiteit van de patiënt, van <30 tot >90%.  Anti-dsDNA-antistoffen behoren tot de ARA-diagnosecriteria voor SLE.

Informatie over SLE

Afhankelijk van de gebruikte methode varieert de ziektespecificiteit erg. Met behulp van zeer gevoelige methoden kan bij een groot aantal patiënten anti-dsDNA worden gevonden bij uveïtis, discoïde lupus erythematosus, reumatoïde artritis, juveniele reumatoïde artritis e.d. In dit soort gevallen gaat het vooral om antistoffen van het isotype IgM van IgG met lage aviditeit.  

Ziekteactiviteit

Goede correlatie tussen anti-dsDNA-titer en ziekteactiviteit en dus belangrijk voor controle, met name anti-IgG-antistoffen met hoge aviditeit. Een toename van de antistoftiter kan op exacerbatie van de ziekte duiden. Bij SLE-patiënten moet het kwantitatief anti-dsDNA IgG regelmatig worden gemeten.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van SLE, controle van SLE.

Antistofisotypen

IgG. IgM wordt vaak bepaald, maar het klinische belang voor diagnose en controle is beperkt.

Opsporingsmethoden

Immunofluorescentietest op Crithidia luciliae (CLIFT), audio-immunoassays (vooral Farr-assay) en enzyme-linked immunosorbent assays (ELISA's).

Referenties

  • Hochberg MC (1997) Updating the American College of Rheumatology Revised Criteria for the Classification of Systemic Lupus Erythematosus. Arthr Rheum 40, 1725-1734
  • Bootsma H, Spronk PE, Ter Borg EJ et al. (1997) The predictive value of fluctuations in IgM and IgG class anti-dsDNA antibodies for relapses in systemic lupus erythematosus. A prospective long term observation. Ann Rheum Dis 56, 661-666 
  • Tzioufas AG, Tergoglou C, Stavropoulos ED et al. (1990) Determination of anti-dsDNA antibodies by three different methods: Comparison of sensitivity, specificity and correlation with lupus acticity index (LAI). Clin Rheumatol 9, 186-192

Terug naar boven

 

 U1RNP

Producten

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa RNP Antibodies 170 96 96 tests
Varelisa RNP-Sm Antibodies 165 96 96 tests
EliA U1RNP 14-5501-01 4x12 tests
EliA RNP70 14-5511-01 4x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation (pdf)
Sm, U1RNP, RNP70, Ro, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

In natuurlijke staat hebben kleine, nucleaire RNA's, die ook wel U-RNA's worden genoemd (naar "uracil rich RNA") de vorm van ribonucleoproteïnepartikels (snRNP). Het U1 snRNA is aanwezig als complex met de Sm-proteïnen, die ook worden gevonden in de U2-, U4- en U5-snRNP's en de U1-specifieke proteïnen 70 kDa, A (34 kDa) en C (22 kDa).

U1-snRNP-complexen zijn primair in het nucleoplasma te vinden en zijn betrokken bij de splitsing.

De Varelisa RNP Antibodies-test en de EliA U1RNP en RNP Wells gebruiken recombinant-humane U1 snRNP-proteïnen. De Varelisa RNP-Sm Antibodies-test bevat het gezuiverde complex.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • Systemische lupus erythematosus (SLE) (30-40%) anti-RNP kan alleen voorkomen, maar is vaak in combinatie met andere specificiteiten aanwezig. Anti-Sm-positieve sera zijn vrijwel altijd ook positief voor anti-RNP.
  • Mixed Connective Tissue Disease (MCTD) wordt vastgesteld aan de hand van de aanwezigheid van een hoge titer van anti-RNP (met name anti-70 kDa-antistoffen, maar ook anti-A en -C).
  • Daarnaast kunnen anti-U1 RNP-antistoffen bij een klein percentage patiënten voorkomen met het Syndroom van Sjögren, reumatoïde artritis, sclerodermie en polymyositis.

Ziekteactiviteit

Langlopende studies laten zien dat anti-U1 RNP-antistoftiters in de loop van de tijd kunnen variëren, maar het is niet zeker wanneer de waarden op onderliggende ziekteactiviteit duiden.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van SLE of MCTD.

Antistofisotype

IgG

Andere opsporingsmethoden

Immunofluorescentie op HEp-2 (grofgespikkeld patroon). De immunofluorescentietechniek maakt geen onderscheid tussen anti-U1 snRNP en anti-Sm-antistoffen. Andere technieken (immunodiffusie, immunoblotting, RNA-immunoprecipitatie enz.) zijn mogelijk, maar niet noodzakelijkerwijs routinematig bruikbaar.

Referenties

  • Van den Hoogen FHJ, Van de Putte LBA (1996) ANti-U1snRNP antibodies and clinical associations. In: Van Venrooij WJ, Maini RN (eds.) Manual of Biological Markers of Disease, Kluwer Academic Publishers, Amsterdam 
  • Craft J, Hardin J (1992) Anti-snRNP antibodies. In: Wallace DJ, Hahn BH (eds.), Dubois' Lupus Erythematosus, pp 216-219, Williams and Wilkens 
  • Peng SL, Craft JE (1996) Spliceosomal snRNPs autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 774-782, Elsevier Science B.V., Amsterdam

Terug naar boven

 

Sm

Producten

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa Sm Antibodies 182 96 96 tests
EliA Sm 14-5502-01 4x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation (pdf)
Sm, U1RNP, RNP70, Ro, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

In natuurlijke staat hebben kleine, nucleaire RNA's, die ook wel U-RNA's worden genoemd (naar "uracil rich RNA") de vorm van ribonucleoproteïnepartikels (snRNP). De U snRNP U1, U2, U4, U5 en U6 bevatten allemaal een proteïnegroep, de zgn. Sm-peptiden, die als hoofddoel de B- en D-polypeptiden hebben. Vanwege de kruisreactiviteit tussen de A-, de C- en de B/B'-proteïnen, kan tot 60% van de anti-U1 RNP-sera reageren met B/B'. Dat betekent dus dat alleen de aanwezigheid van anti-D en/of de afwezigheid van anti-A en anti-C kan worden gezien als kenmerkend voor anti-Sm-sera. Tot nu toe zijn alle tests voor het produceren van een antigeen recombinant SmD-proteïne met goede reactiviteit mislukt, vanwege de speciale structuur ervan. In 2004 werd een ELISA ontwikkeld met een dimethyl-SmD-peptide die een significant grotere specificiteit had dan traditionele tests met gezuiverd SmD.

EliA Sm Well is gecoat met een gezuiverd Sm-antigeen. De Varelisa Sm Antibodies-test is gecoat met SmD-peptide.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

Systemische lupus erythematosus (SLE) (10-20% bij blanke SLE-patiënten), anti-Sm-antistoffen zijn zeer specifiek, maar relatief insensitief als marker voor SLE. Hun aanwezigheid vormt één van de herziene ARA-criteria voor de diagnose.

Informatie over SLE

Anti-Sm-positieve sera zijn vrijwel altijd ook positief voor anti-RNP.

Anti-Sm-reactiviteit is niet uitgebreid bij andere ziekten beschreven, maar er zijn enkele studie waarin anti-Sm-antistoffen worden genoemd bij monoklonale gammopathie, schizofrenie en uveïtis.

Ziekteactiviteit

Talrijke studies suggereren een verband tussen anti-Sm-antistoffen en de ziekteactiviteit en dan met name uitingsvormen van de ziekte.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van SLE.

Antistofisotype

IgG

Andere opsporingsmethoden

Immunofluorescentie op HEp-2 (gespikkelde aankleuring in de hele celkern; alleen de nucleolaire regio's zijn algemeen niet gekleurd). De immunofluorescentietechniek maakt geen onderscheid tussen anti-U1 snRNP en anti-Sm-antistoffen. Andere methoden (zoals counterimmunoelectrophoresis, immunoprecipitatie; immunoblotting) kunnen worden gebruikt, maar zijn niet noodzakelijkerwijs routinematig bruikbaar.

Referenties

  • Mahler M, Fritzler MJ, Blüthner M (2004) Identification of a SmD3 epitope with a single symmetrical dimethylation of an arginine residue as a specific target of a subpopulation of anti-Sm antibodies. Online beschikbaar ophttp://arthritis-research.com/content/7/1/R19
  • Peng SL, Craft JE (1996) Spliceosomal snRNPs autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 774-782, Elsevier Science B.V., Amsterdam 
  • Hoch SO (1994) Autoantigens in SLE - Sm. In: Van Venrooij WJ, Maini RN (eds.) Manual of Biological Markers of Disease, Kluwer Academic Publishers, Amsterdam 
  • Craft J, Hardin J (1992) Anti-snRNP Antibodies. In: Wallace DJ, Hahn BH (eds.) Dubois' Lupus erythematosus. Lippincott Williams & Wilkins

Terug naar boven

 

SS-A/Ro

Producten

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa SS-A/Ro Antibodies 166 96 96 tests
EliA Ro52 NIEUW! 14-5598-01 2x12 tests
EliA Ro60 NIEUW! 14-5525-01 4x12 tests
EliA Ro 14-5503-01 4x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation (pdf)
Sm, U1RNP, RNP70, RO, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

Het SS-A/Ro-partikel bevat een hY RNA (humaan cytoplasmisch RNA) en bijbehorende proteïnen: een proteïne van 60 kDa en van 52 kDa. Het proteïne van 52 kDa is niet direct gebonden aan het hY RNA, maar aan het proteïne van 60 kDa. Het lijkt soms een verbinding te zijn aangegaan en soms niet. Het Ro-antigeen wordt gevonden in het cytoplasma, alsook in de celkern. De rol van het SS-A/Ro-partikel in de cel is nog niet bekend.

De Phadia-tests maken gebruik van recombinant-humaan Ro 60 en Ro 52.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • Primair Sjögren-syndroom (60-75%), onderdeel van diagnostische criteria 
  • Secundair Sjögren-syndroom (ca. 80%) 
  • Systemische lupus erythematosus, SLE (40-50%) 
  • Moeders van kinderen met neonatale lupus (100%), maar slechts 1 op de 50 kinderen waarvan de moeder anti-Ro heeft, ontwikkelt hartblok. 
  • Reumatoïde artritis (2-10%) 
  • Andere auto-immuunziekten (zeldzaam, met sensitieve methoden) 
  • Normale controles (0,5%)

Anti-Ro 52 kDa wordt regelmatig gevonden bij het Syndroom van Sjögren, terwijl anti-Ro 60 kDa vaker wordt gezien bij SLE.

Informatie over Syndroom van Sjögren

Ziekteactiviteit

Anti-Ro geeft een beeld van de ziekteverspreiding bij het Syndroom van Sjögren en is met name geassocieerd met de extraglandulaire uitingsvorm en serologische bevindingen van het syndroom. Omgekeerd hoeven de anti-Ro-waarden niet merkbaar te fluctueren bij ziekteactiviteit of bij steroïdebehandeling en/of immunotherapie.

Bij SLE-patiënten staat het anti-Ro60-, anti-Ro52- en anti-La-antistofprofiel al in een vroeg stadium van de ziekte vast en bij de meeste patiënten verandert dit profiel vervolgens nauwelijks.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

  • Vermoeden van primair Sjögren-syndroom
  • Huidaandoeningen die compatibel zijn met subacute cutane lupus erythematosus
  • Reumatoïde artritis, voorafgaand aan toediening van D-penicillamine
  • Vrouwen met Syndroom van Sjögren, SLE of reumatoïde artritis voor en tijdens de zwangerschap

Antistofisotype

IgG

Referenties

  • Reichlin M, Scofield RH (1996) SS-A (Ro) Autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 783-788, Elsevier Science B.V., Amsterdam 
  • Mavragani CP, Tzioufas AG, Moutsopoulos HM (2000) Sjögren's syndrome: Autoantibodies to cellular antigens - Clinical and molecular aspects. Int Arch Allergy Immunol 123, 46-57 
  • Scofield RH, Farris AD, Horsfall AC, Harley JB (1999) Fine specificity of the autoimmune response to the Ro/SSA and La/SSB ribonucleoproteins. Arthritis Rheum 42, 199-209

Terug naar boven

 

SS-B/La  

Producten

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa SS-B/La Antibodies 166 96 96 tests
EliA La 14-5504-01 4x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation (pdf)
Sm, U1RNP, RNP70, RO, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

La/SS-B is een fosfoproteïne met universele expressie van 47 kDa dat een verbinding aangaat met allerlei kleine RNA's, waaronder het hY RNA van het SS-A/Ro-partikel. La is mogelijk een terminatiefactor voor de transcriptie voor RNA-polymerase III en wordt zowel in het cytoplasma als in de celkern gevonden.

De Phadia-tests maken gebruik van recombinant-humaan La.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • Primair Sjögren-syndroom (tot 90%), diagnosecriterium
  • Secundair Sjögren-syndroom (ca. 50%) 
  • Systemische lupus erythematosus, SLE (6-15%) 
  • Subacute cutane lupus erythematosus (25-35%)
  • Moeders van kinderen met neonatale lupus (90%)

Informatie over Syndroom van Sjögren

Anti-La zijn vrijwel altijd geassocieerd met anti-Ro en met name het bestanddeel van 52 kDa.

Ziekteactiviteit

Of de titer voor anti-La correleert met ziekteactiviteit bij het Syndroom van Sjögren of SLE is niet bekend. Op zich is het vinden van anti-La-precipitinen een stabiele serologische bevinding, die niet fluctueert gedurende het ziekteverloop.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

  • Vermoeden van primair Sjögren-syndroom
  • Huidaandoeningen die compatibel zijn met subacute cutane lupus erythematosus
  • Reumatoïde artritis, voorafgaand aan toediening van D-penicillamine
  • Vrouwen met Syndroom van Sjögren, SLE of reumatoïde artritis voor en tijdens de zwangerschap

Antistofisotypen

IgG

Referenties

  • Keech CL, McCluskey J, Gordon TP (1996) SS-B (La) Autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 789-797, Elsevier Science B.V., Amsterdam 
  • Mavragani CP, Tzioufas AG, Moutsopoulos HM (2000) Sjögren's syndrome: Autoantibodies to cellular antigens - Clinical and molecular aspects. Int Arch Allergy Immunol 123: 46-57 
  • Scofield RH, Farris AD, Horsfall AC, Harley JB (1999) Fine specificity of the autoimmune response to the Ro/SSA and La/SSB ribonucleoproteins. Arthritis Rheum 42: 199-209

Terug naar boven

 

Ribosomaal P

Product

Artikelnr.

Aantal tests

EliA Rib-P 14-5521-01 2x12 tests

Antigeen

Systemische lupus erythematosus (SLE) is een auto-immuunziekte waarbij meerdere organen zijn betrokken, wat leidt tot handicaps en verhoogde mortaliteit. Antistoffen tegen ribsosomaal-P (anti-Rib-P) reageren op de zuurvormende gefosforyleerde ribosomale proteïnen P0, P1, en P2 (met een molecuulmassa van 38, 19 en 17 kDa) en zijn te vinden op de S60 subunit van ribosomen. Anti-Rib-P kan worden gevonden bij ca. 15 tot 20% van de patiënten met SLE. Ze lijken zeer specifiek voor SLE te zijn, wat betekent dat ze kunnen worden gebruikt als diagnostische marker voor de ziekte. Verder is een relatie beschreven met bepaalde uitingsvormen van lupus, met name met neuropsychiatrische en hepatische betrokkenheid alsook nierbetrokkenheid. De resultaten ten aanzien van het bestaan van dergelijke relaties zijn echter met elkaar in tegenspraak en hangen af van verschillen in de studieset-up en de studiepopulatie of de sensitiviteit van de gebruikte tests voor de opsporing van anti-Rib-P.

De EliA Rib-P Wells zijn gecoat met recombinant-humane ribosomale P-proteïnen (P0, P1, P2).

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van SLE.

Antistofisotypen

IgG

Opsporingsmethoden

EliA op Phadia-laboratoriuminstrumenten

Referenties

  • Kiss E, Shoenfeld Y. Are Anti-Ribosomal P protein Antibodies Relevant in Systemic Lupus Erythematosus? Clin Rev Allergy Immunol 2007; 32:37-46
  • Gerli L, Caponi L. Anti-ribosomal P protein antibodies. Autoimmunity 2005; 38:85-92
  • Mahler M et al. International Multicenter Evaluation of Autoantibodies to Ribosomal P Proteins. Clin Vaccine Immunol 2006; 13:77-83