Bindweefselaandoeningen

Single Analytes 2

Auto-antistoffen tegen

ssDNA | Histonen (IgG/IgM) | Scl-70 | CENP | Jo-1 

 

 

ssDNA

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa ssDNA Antibodies 148 96 96 tests

Antigeen

In 1971 stelde Cohen et al. drie categorieën antistoffen voor die direct tegen het DNA-molecuul zijn gericht:

  • De eerste categorie richt zich direct tegen conformationele epitopen die geassocieerd zijn met de oorspronkelijke dubbele helix. Deze anti-DNA-antistoffen zijn per definitie de enige anti-dsDNA-antistoffen in de ware zin van het woord. Ze lijken echter zeldzaam.
  • De tweede groep richt zich op de polymeren van purine- en pyrimidinebasen, die als antigenen alleen toegankelijk zijn voor de immunocompetente cellen in enkelstrengs DNA, d.w.z. gedenatureerd. Deze antistoffen worden beschouwd als de enige anti-ssDNA-antistoffen in de ware zin van het woord.  
  • De derde groep richt zich op de desoxyribose-fosfaatruggengraat, die in dezelfde mate aanwezig is in ssDNA- als in dsDNA-moleculen. Bijgevolg zijn het noch echte anti-dsDNA- noch anti-ssDNA-antistoffen. Het overgrote deel (85 tot 95%) van in patiëntsamples gevonden anti-DNA-antistoffen behoren tot deze categorie.

Technisch bezien is het niet mogelijk om in één test echte anti-ssDNA-antistoffen (met purine- en pyrimidinebasen als enige antigeen) te meten. Alle anti-ssDNA-antistoftests meten anti-DNA-antistoffen die tot categorie 2 en 3 behoren. Anti-ssDNA-antistoffen worden vaak gevonden bij SLE en geneesmiddelgeïnduceerde lupus (drug-induced lupus of DIL). Samen met de anti-histonantistoffen en in afwezigheid van anti-dsDNA-antistoffen kunnen ze helpen bij de diagnose van DIL. Ze zijn echter niet specifiek, maar komen ook voor bij systemische en lokale sclerodermie, leveraandoeningen, een aantal bindweefselaandoeningen en bij sommige normale gezonde individuen.

Bij de Varelisa-test is het plaatje gecoat met synthetisch, enkelstrengs DNA.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van SLE of geneesmiddelgeïnduceerde lupus.

Antistofisotypen

IgG

Opsporingsmethoden

Enzyme-linked immunosorbent assays (ELISA).

Referenties

  • Takehara K et al. Anti-Single-Stranded DNA Antibody and Muscle Involvement in Localized Scleroderma. Arch Dermatol 1990; 126:1368-1369
  • Ruffati A et al. Prevalence and Characteristics of Anti-Single-Stranded DNA Antibodies in Locolized Scleroderma.
  • Lange A. Evaluation of the simultaneous estimation of anti-dsDNA and anti-ssDNA antibodies for clinical purposes. Clin Exp Immunol 1978; 31:472-481

Terug naar boven

 

Histonen

Product

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa Histone (IgG/IgM) Antibodies 164 96 96 tests

Antigeen

Als auto-immuunziekte wordt SLE gekenmerkt door een complex klinisch beeld en een grote diversiteit in auto-antistoffen. Antistoffen tegen dsDNA en RNP-Sm zijn de meest prominente bij de diagnose van SLE, omdat deze een hoge specificiteit voor de ziekte hebben. Een vergelijkbare prevalentie hebben antistoffen tegen aan DNA bindende histon-proteïnen (H1, H2A/H2B, H3 en H4). Deze kunnen worden gevonden in tot 50% van alle SLE-patiëntsera. De frequentie ervan neemt toe tot 80% bij patiënten met de acute vorm van de ziekte. Anti-histonantistoffen (AHA) zijn van klinisch belang voor de diagnose van geneesmiddelgeïnduceerde lupus erythematosus. Geneesmiddelen als hydralazine, procaïnamide en isoniazide staan bekend om hun SLE-inducerende effect. Naast antistoffen tegen afzonderlijke histonen, worden bij DIL ook regelmatig antistoffen tegen histoncomplexen als H2A-H2B en H3-H4 gevonden. Afhankelijk van het inducerende geneesmiddel wordt 90-95% van de DIL-patiënten positief getest voor anti-histon-auto-antistoffen. De waarde van de test is echter beperkt, omdat deze antistoffen ook bij andere aandoeningen worden gevonden, zoals infecties. AHA worden ook gevonden bij patiënten met reumatoïde artritis, Mixed Connective Tissue Disease en progressieve sclerodermie. De AHA-incidentie is bij deze patiënten echter laag en loopt van 10 tot 15%.

In de Varelisa-test is het plaatje gecoat met gezuiverde, humane histon-proteïnen H1, H2A, H2B, H3 en H4.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van geneesmiddelgeïnduceerde lupus. 

Antistofisotypen

IgG en IgM (gemeten met gemengd conjugaat)

Opsporingsmethoden

Enzyme-linked immunosorbent assays (ELISA).

Referenties

  • Rubin R. Histone (H2A-H2B)-DNA Autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds) Autoantibodies. 1996; pp 364-372. Elsevier, Amsterdam
  • Harmon CE, Portanova JP. Drug-induced lupus erythematosus. Clin Rheum Dis 1982; 8:121-135
  • Shoenfeld Y, Segol O. Anti-histone antibodies in SLE and other autoimmune diseases. Clin Exp Rheumatol 1989; 7:265-271

Terug naar boven

 

Scl-70/DNA topoïsomerase I

Producten

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa Scl-70 Antibodies 169 96 96 tests
EliA Scl-70 14-5506-01 2x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation (pdf)
Sm, U1RNP, RNP70, Ro, La, Scl-70, CENP, Jo-1 

Antigenen

In 1979 werden bij patiënten met sclerodermie antistoffen beschreven die reageerden met een proteïne van 70 kDa. Om die reden werd het antigeen Scl-70 gedoopt. In 1986 werd Scl-70 geïdentificeerd als topoïsomerase I (topo-I). Topoïsomerase I dient als katalysator bij het afbreken/samenvoegen van enkelstrengs DNA en relaxeert supercoiled DNA in vitro. Het oorspronkelijke enzym is groter dan 70 kDa (100 kDa), maar vaak wordt alleen het kleinere proteolytische fragment ervan gevonden.

De Varelisa Scl-70 Antibodies-test en de EliA Scl-70 Wells zijn gecoat met een recombinant-humaan topoïsomerase I-antigeen.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • Sclerodermie (30-60%), zeer specifiek
  • Anti-Scl-70 sluit geen aanvullende AI-aandoeningen als SLE, Syndroom van Sjögren enz. uit. 
  • Niet aanwezig in familieleden van sclerodermie-patiënten of andere gezonde individuen
  • Enkele keer gevonden bij het Fenomeen van Raynaud, en dan vaak als predictor van sclerodermie

Informatie over sclerodermie

Anti-Scl-70 wordt een enkele keer gevonden in dezelfde patiënten als anti-centromeerantistoffen.

Ziekteactiviteit

Uit de meeste studies komt naar voren dat de titer niet correleert met ziekteactiviteit of -duur. Er is echter bewijs dat de anti-Scl-70-waarden correleren met de ernst van de ziekte en de activiteit bij systemische sclerose (zie referenties Hu et al., 2003).

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van sclerodermie.

Antistofisotypen

IgG

Referenties

  • Vazquez-Abad D, Rothfield NF (1996) Topoisomerase-I (Scl-70) autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp 830-835, Elsevier Science B.V., Amsterdam 
  • Verheijen R (1996) DNA topoisomerase I. In: Van Venrooij WJ, Maini RN (eds.) Manual of Biological Markers of Disease, Kluwer Academic Publishers, Amsterdam 
  • Spencer-Green G, Alter D, Welch HG (1997) Test performance in systemic sclerosis: Anti-centromere and anti-Scl-70 antibodies. Am J Med 103, 242-248 
  • Hu PQ, Fertig N, Medsger TA, Wright TM (2003) Correlation of Serum Anti-DNA Topoisomerase I Antibody Levels With  Disease Severity and Activity in Systemic Sclerosis. Arthritis Rheum 48, 1363-1373

Terug naar boven

 

Centromeerproteïne (CENP)

Producten

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa CENP Antibodies 168 96 96 tests
EliA CENP 14-5505-01 2x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation (pdf)
Sm, U1RNP, RNP70, Ro, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

Een centromeer is de versmalling van de eukaryotische chromosomen waar de zusterchromatiden het sterkst met elkaar lijken verbonden. De drie belangrijkste centromeerantigenen zijn CENP-A (19 kDa), CENP-B (80 kDa) en CENP-C (140 kDa), maar de belangrijkste is CENP-B. antistoffen tegen CENP-A en -C zijn normaal gesproken kruisreactief en worden vrijwel altijd in combinatie met anti-CENP-B-antistoffen gevonden. CENP-B wordt door vrijwel alle sera met anti-centromeerantistoffen (ACA) herkend.

CENP-B bevindt zich in het heterochromatine onder de kinetochore en vormt mogelijk een dimeer voor de binding van DNA. Het speelt verder een belangrijke rol in het regelen van de hogere-orde chromatinestructuur binnen de centromeer.

De Varelisa CENP Antibodies-test en de EliA CENP Well zijn gecoat met recombinant-humaan CENP-B.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • CREST (ca. 55%)  
  • Ziekte van Raynaud (10-15%)  
  • Diffuse systemische sclerodermie (zeer zeldzaam - ACA in SSc duidt op significant betere prognose)  
  • Andere reumatische aandoeningen van het type Fenomeen van Raynaud, zoals reumatoïde artritis, Syndroom van Sjögren enz. (33%)  
  • Primaire biliaire cirrose (PBC) (10-20%) 
  • Niet gevonden bij gezonde individuen, zelfs niet in lage titers (of extreem zeldzaam)
ACA wordt zelden gevonden bij dezelfde patiënten als anti-Scl-70

Ziekteactiviteit

De titer correleert niet met ziekteactiviteit of -duur.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Fenomeen van Raynaud, vermoeden of diagnose van sclerodermie, primaire biliaire cirrose.

Antistofisotype

IgG

Referenties

  • McHugh NJ (1996) Centromere autoantibodies. In: JB Peter, Y Shoenfeld (eds.), Autoantibodies, pp. 161-167, Elsevier Science B.V. 
  • Rothfield NF (1996) Autoantibodies to scleroderma-associated antigens. In: Van Venrooij WJ, Maini RN (eds.), Manual of Biological Markers of Disease, Kluwer Academic Publishers, Amsterdam 
  • Spencer-Green G, Alter D, Welch HG (1997) Test performance in systemic sclerosis: Anti-centromere and anti-Scl-70 antibodies. Am J Med 103, 242-248 

Terug naar boven

 

Jo-1/Histidyl-tRNA-synthese 

Producten

Artikelnr.

Aantal tests

Varelisa Jo-1 Antibodies 167 96 96 tests
EliA Jo-1 14-5507-01 2x12 tests

Promotiemateriaal

Testresultatenfolder
EliA ANA Differentiation (pdf)
Sm, U1RNP, RNP70, RO, La, Scl-70, CENP, Jo-1

Antigenen

Jo-1 is een synoniem voor de histidyl-tRNA-synthese. Dit cytoplasmische enzym dient als katalysator bij de etherificatie van histidine in het verwante tRNA. Binding van anti-Jo-1-antistoffen vindt plaats in het cytoplasma van de verschillende onderzochte celtypen. De histidyl-tRNA-synthese is als homodimeer in de cel aanwezig; identieke subunits van elk ca. 50 kDa worden gebonden aan tRNA. Anti-Jo-1-sera herkent geen andere aminoacyl-tRNA-synthesen dan histidyl-tRNA-synthesen van hogere eukaryoten en reageert het best met humaan enzym.

De Varelisa Jo-1 Antibodies-test en de EliA Jo-1 Well zijn gecoat met recombinant-humaan Jo-1.

Ziekteassociatie, antistofprevalentie en specificiteit

  • Myositis bij volwassenen (ca. 30%) - vrijwel exclusief bij patiënten met myositis: 54% primair myositis, 40% dermatomyositis, 6% myositis in verband met een andere bindweefselaandoening. Patiënten met anti-Jo-1 hebben vaak een ernstige ziekte met de neiging tot terugval en een slechtere prognose. Het anti-synthetase syndroom wordt bepaald door antistoffen tegen anti-tRNA-synthetase.
  • Anti-Jo-1 niet in myositis: interstitiële longaandoening (zeer zeldzaam)

Ziekteactiviteit

De antistof blijft normaal gesproken gedurende het ziekteverloop en voor onbepaalde tijd erna vindbaar, ondanks controle van de ziekteactiviteit. Een enkele keer is de antistof niet meer vindbaar en in deze gevallen is er een verband met ziekteremissie. De klinische bruikbaarheid van anti-Jo-1-antistoffluctuatie vraagt om verder onderzoek.

Hoewel het maar zeer zelden voorkomt dat een patiënt toch anti-Jo-1-antistoffen ontwikkelt terwijl hij eerder negatief is getest voor de antistof, dienen bij een verdachte klinische situatie, zoals myositis met interstitiële longaandoeningen, herhaaldelijke patiënttests te worden overwogen om de nauwkeurigheid van de eerdere resultaten te bevestigen. Als een patiënt positief wordt getest dienen naast een bevestigende test (indien nodig) hernieuwde tests te worden overwogen bij het afbreken van de behandeling, omdat de kans op nieuwe exacerbaties bij de aanhoudende aanwezigheid van antistoffen hoog is.

Wanneer verdient de meting aanbeveling?

Vermoeden van willekeurige vorm van myositis.

Antistofisotype

IgG

Referenties

  • Maddison PJ (1996) Aminoacyl-tRNA histidyl (Jo-1) synthetases autoantibodies. In: Peter JB, Shoenfeld Y (eds.), Autoantibodies, pp. 31-35, Elsevier Science B.V, Amsterdam
  • Targoff IN, Plotz PH (1996) The autoantibody system: Anti-aminoacyl-tRNA synthetase antibodies. In: Van Venrooij WJ, Maini RN (eds.), Manual of Biological Markers of Disease, Kluwer Academic Publishers, Amsterdam 
  • Delarue M (1995) Aminoacyl-tRNA synthetases. Curr Opini Struct Biol 5, 48-55
  • Targoff IN (1992) Autoantibodies in polymyositis. Rheum Dis Clin North Am 18, 455-482

Terug naar boven